Sunday, June 1, 2008

es lebe der Wuppie!

Het begint te kriebelen, diep in mij. Dat hele Peking-gedoe gaat lustig aan mij voorbij, maar voor het Groote Feest sta ik paraat. Getooid met sjaal en trom-pet. En de wuppie, natuurlijk - het monstertje leeft, diep in mij.

Thursday, March 13, 2008

Een grens is meer dan een streep

De Standaard, woensdag 12 maart 2008

'Een taalgrens is niet meer dan een streep op een kaart en voor de rest wetenschappelijke fictie. Taalkundigen, die dit ook al eeuwen weten, zwijgen.' Dixit Walter Zinzen (DS 10 maart). Hij gaat hiermee verbazend licht over het belang van grenzen voor het behoud van stabiliteit, waar ook ter wereld. Eerder dan te zwijgen, dien ik als taalkundige Zinzen graag van antwoord. Natuurlijk is het vastleggen van grenzen steeds een min of meer arbitrair proces. Geen volk kan zoiets als een 'natuurlijk recht' inroepen om de grenzen van zijn grondgebied te rechtvaardigen. Vroeger liepen grenzen vaak samen met natuurlijke verdedigingslinies, zoals rivieren of heuvels. Tot diep in de twintigste eeuw waren grenzen in Europa heel volatiel, wegens onderhevig aan veroveringsdrang van naburige volkeren of staten. Geciviliseerde samenlevingen zijn er echter in geslaagd van dat arbitrair proces ook een conventioneel gebeuren te maken. Onderlinge akkoorden bepalen nu waar de grenzen van het ene gebied ophouden en die van het ander gebied beginnen. Goede afspraken maken goede buren. We hebben er in Europa zo'n 2000 jaar op moeten wachten, maar uiteindelijk zijn we wel tot een modus vivendi gekomen waar de tegenstelling tussen natuur en cultuur in het voordeel van het laatste beslecht is.Om die reden is het belangrijk dat grenzen gerespecteerd worden. Wanneer beweerd wordt dat de taalgrens een staatsgrens is, impliceert dat geenszins dat die grens een door God of natuur geïnspireerd gegeven zou zijn, maar wel dat we de periode van territoriale conflicten achter ons gelaten hebben. Uiteraard wijzigt de demografische situatie in elk gebied voortdurend, maar betekent de numerieke groei van een bepaalde minderheid in een gebied daarom ook dat die verschuivingen gepaard moeten gaan met de eis om annexatie bij een ander gebied? Wil Walter Zinzen ons terugkatapulteren naar eind jaren dertig, toen een drieste Duitser vond dat hij recht had op Sudetenland?Ik wil Zinzen niet beschuldigen van het aanhangen van een Blut-und-Boden nationalisme, maar grenzen afdoen als een zeer beweeglijke streep die te pas en - zoals de geschiedenis ons meermaals geleerd heeft - vooral te onpas hertrokken kan worden, heeft gevaarlijke implicaties. Een grens heeft bovendien een identiteitsvormende eigenschap. Zij is als een huid die het lichaam van een gemeenschap niet alleen bijeenhoudt, maar ook definieert. De huid is een metafoor voor grenzen die, de Franse filosoof Didier Anzieu parafraserend, niet alleen een beschermende functie heeft, maar tevens als een soort interface optreedt tussen binnen en buiten, en op die manier een identiteitsbepalende factor is.Laten we dus de nodige voorzichtigheid aan de dag leggen en de waarde van grenzen niet banaliseren. In de Belgische context moet men zich bovendien afvragen welk nut de uitbreiding van Brussel zou hebben voor het algemeen belang, de mensen zeg maar. Wordt iemand beter van een operatie waarbij een aantal landelijke gemeenten in een grootstedelijk wespennest worden meegesleurd, behalve dan de Franstalige politici zelf die hiermee hun electoraat uitgebreid weten? Net in deze politieke zelfbediening verschillen de Franstalige van de Vlaamse eisen. De regionalisering van het arbeidsmarktbeleid en de responsabilisering in de gezondheidszorg staan onmiddellijk ten dienste van alle betrokkenen - Vlamingen én Walen. Een bestuur dat dichter aansluit bij de noden van de mensen moet ook stukken efficiënter zijn. Ik wacht nog steeds op het eerste argument dat een uitbreiding van Brussel voor meer jobs kan zorgen. Niet alleen het Belgicistische status-quo gaat uit van de rechtse bourgeoisie, betoogt Zinzen. Ook het Vlaams-nationalisme wordt vanuit die hoek georkestreerd. Hij verwijst daarbij naar Bruno Valkeniers, en daarmee is zijn punt gemaakt. Met dank (nog maar eens) aan het Vlaams Belang, dat de munitie om de ideologie van het nationalisme aan flarden te schieten poeslief aanreikt aan de tegenstanders ervan. De grondidee van het nationalisme staat echter lijnrecht tegenover de staatsinrichting die het Vlaams Belang nastreeft. Nationalisme omhelst immers de idee van volkssoevereiniteit. Het nationalisme wil de staat inrichten van onderen uit, vanuit het volk en is dus in se antiabsolutistisch. Vandaar ook de verdediging van het subsidariteitsbeginsel vanuit nationalistische hoek. Met een voorzitter die het Apartheidsregime verdedigt, heeft het Belang van het nationalisme duidelijk niets begrepen. De roep om meer Vlaamse autonomie is sociaal, en steekt schril af tegen het imperialistische gedachtegoed waarvan we hoopten dat het tot het verleden behoorde.

Laurens De Vos doceert aan de Arteveldehogeschool en is actief in de N-VA.

Sunday, November 18, 2007

BHV in 't groot

Luk Sanders vindt dat een federale kieskring niet zou misstaan in België (DS 5 november). Meer zelfs, ons land zou daarom smeken. De bedenking van Geert Bourgeois dat zo’n kieskring het probleem BHV extrapoleert naar het ganse land, doet hij af met het argument dat zulks niet ongrondwettelijk is, in tegenstelling tot de bestaande kieskring BHV. Enerzijds interpreteert Sanders de Vlaamse eis tot splitsing van BHV volledig verkeerd, en anderzijds vergist hij zich schromelijk wat de ongrondwettelijkheid van BHV betreft.

De fundamenten van het Belgische federale model liggen in het territorialiteitsbeginsel. In 1962 werd de taalgrens vastgelegd, en het proces van taalhomogeniteit is sindsdien – mits veel gebakkelei en staatshervormingen – logisch doorgetrokken. In het verlengde van 1962 werd in 1968 de Leuvense universiteit, en in 1995 de provincie Brabant gesplitst. Allemaal stappen die het logisch gevolg zijn van het principe dat in Vlaanderen Nederlands en in Wallonië Frans gesproken wordt. Niet meer of niet minder.

Alleen, dit territorialiteitsbeginsel, dat nota bene in de jaren ’30 tot stand kwam op uitdrukkelijke eis van de Franstaligen om de eentaligheid van Wallonië te vrijwaren, wordt nu voortdurend met voeten getreden door de Franstaligen. Daarmee zijn zij de échte doodgravers van dat broze Belgische evenwicht. BHV, een relikwie van het unitaire België, is uitgegroeid tot hét dossier dat deze tegendraadse, imperialistische houding aantoont. De eis tot splitsing dateert dus al van 1962, en is niet – zoals Luk Sanders suggereert – het gevolg van de ongrondwettelijkheid van de kieskring. Die nuance moet duidelijk gesteld worden in het licht van de discussie over een federale kieskring. Feit is dat het probleem grondwettelijk heel precair is geworden sinds de invoering van de provinciale kieskringen in 2002, en dat een oplossing nu gevonden moet worden. De ongrondwettelijkheid bestaat er trouwens ook niet in, zoals Sanders zegt, dat Franstalige politici zich tot diep in Vlaanderen kunnen verkiesbaar stellen (want dat konden zij voorheen ook), maar wel in een schending van artikel 63 van de grondwet. Hierdoor wordt de zetelverdeling in de kieskring Leuven mee bepaald door de Nederlandstalige stemmen in Brussel en wordt Vlaams-Brabant gediscrimineerd tegenover andere provinciale kieskringen.

Een federale kieskring is op zich dus niet ongrondwettelijk, want iedereen wordt gelijk behandeld, maar verheft het probleem van BHV wel tot gans Vlaanderen. Dat probleem is de oprukkende verfransing tot aan de grenzen van Mechelen en Aalst. Als de heren van de Pavia-groep hun unitaire zin krijgen, kunnen Franstalige politici straks in heel Vlaanderen hun verfransingsprogramma aan de man brengen. Voor de kustgemeenten, die nu al zwaar te lijden hebben onder toenemende verfransing, is dit niet minder dan rampzalig. Om nog te zwijgen over het Franstalig reveil dat in steden als Gent de kop zal opsteken. Kortom, helemaal terug naar af.

Natuurlijk hebben de Pavia-mensen gelijk in hun analyse dat België, met gescheiden partijen en kiezerkorpsen, uit twee naast mekaar bestaande, botsende democratieën bestaat. Maar dit is wel het gevolg, en niet de oorzaak, van de onoverkomelijke tegenstellingen die al langer dit land in een wurggreep houden. Vroeger waren er wel unitaire partijen, maar ook die zagen dat hun goede functioneren binnen dat gepolariseerde kader in het gedrang kwam. Als de BSP in 1968 als laatste de stekker uit de unitaire partij trok, was dat niet omdat de socialisten plots een opstoot van Vlaams- en Waalsgezindheid aan de dag legden, maar wel uit bittere noodzaak.
De ‘oplossing’ van Pavia om België uit de onbestuurlijkheid te halen door een federale kieskring in te voeren, is dus een Don Quichote-achtige poging om de illusie van iets wat al lang vervlogen is hoog te houden. Hoe zouden unitair verkozen kamerleden – per definitie al bijna nationale kopstukken – ooit deftig in de Kamer kunnen functioneren in een particratie als de onze, waarin zij voor hun politiek voortbestaan zo sterk afhangen van hun – Vlaamse of Franstalige – partij. Zij kunnen nooit meer dan marionetten van hun partij zijn. Als men – terecht – opwerpt dat onze parlementen te weinig hun stem verheffen, dan is zo’n groep unitair verkozenen de beste garantie om het parlement helemaal monddood te maken

Thursday, June 14, 2007

Staat van Bel(e)g

Twee weken geleden verscheen het boek Waar België voor staat, een uitgave met bijdragen over de toekomst van dit land. De auteurs proberen een tegenantwoord te bieden op de vraag naar een verdere regionalisering van het land bij brede lagen van de bevolking. Dat is een nobel streven voor mensen die in de eenentwintigste eeuw nog graag vasthouden aan de koning, oude staatsstructuren en machtsinstellingen die hen hetzij om emotionele hetzij om opportunistische redenen nog na aan het hart liggen. Voor die eerste reden kan ik begrip opbrengen. Grondige veranderingen vergen immers een serieuze mentaliteitswijziging die niet steeds even snel verteerbaar is. Dat is niet alleen zo als het over hervormingen van een staat gaat, het enorm afgezwakte generatiepact is een ‘mooi’ voorbeeld van hoe angst tot verlamming en conservatisme leidt. Nochtans was zowat iedereen overtuigd van de noodzaak van de hervorming van onze arbeidsmarkt, net zoals iedereen nu zegt dat dit eerste generatiepact maar een opstapje was om in de toekomst verdere hervormingen door te voeren. Net zo wekt ook een broodnodige staatshervorming wrevel op, en zullen behoudsgezinde krachten trachten de impact ervan zo sterk mogelijk uit te hollen.

Het neo-belgicistische discours is in wezen een angstreflex voor de huidige veranderingen die het gevolg zijn van de glokalisering; men weigert de nieuwe tendensen te aanvaarden waarin de verdere ontplooiing van de Europese Unie gepaard gaat met het principe van de subsidiariteit, dat het beleid zo dicht mogelijk bij de burger wil voeren. Men keert terug naar de structuren van het oude België, waarbij men vanuit een nostalgisch ‘vroeger-was-alles-beter gevoel’ die unie tot een paradijselijke mythe verheft maar wel vergeet dat de opeenvolgende regionaliseringen er gekomen zijn uit noodzaak en de wil om het land bestuurbaar te houden. Ook de scheiding van de instellingen is geen resultante van een hoogoplopend nationalisme maar wel van de roep om binnen werkbare structuren te kunnen opereren. We zouden de voormalige BSP te veel eer aandoen hen ook maar een zweem van Vlaamsgezindheid in de schoenen te willen schuiven toen de socialistische familie in twee partijen werd opgesplitst.

Datzelfde gebrek aan realiteitsbesef legt ook de Paviagroep aan de dag. Dat België een land is met twee aparte democratieën waarbij de gemeenschappen elkaar weliswaar besturen maar geen verantwoording aan de andere gemeenschap hoeven af te leggen, is een juiste analyse. De vraag is maar of je door de creatie van een unitaire kieskring voor een beperkt aantal zetels geen nog groter wangedrocht in het leven roept. Om te beginnen lijkt het weinig waarschijnlijk dat Vlamingen voor Walen zullen stemmen en omgekeerd; de kloof tussen de gemeenschappen zal dus haarscherp weerspiegeld worden bij die ‘unitair’ verkozen zetels. Al even bedenkelijk is de zeggensmacht van die verkozenen. Rekening houdende met de zwakte van ons parlementair gestel en de macht van de particratie in België kan het niet anders of zij zullen hun – Vlaamse of Franstalige – partij vertegenwoordigen, eerder dan bruggen trachten te slaan tussen de gemeenschappen.

De realiteit heeft de theorie al lang ingehaald. België is een constructie die in de negentiende eeuw zijn nut bewezen heeft als buffer tussen de Franse en Duitse grootmacht, maar nu door een eengemaakt Europa steeds verder verkruimelt wegens irrelevant. Bovendien blijkt in hun verwerping van het ‘inheems separatisme’ en ‘communautair populisme’ ook nergens waar de auteurs nog een meerwaarde zien in de Belgische structuur. Hun verhaal is gericht tegen een progressieve ontplooiing van de regio’s in de Europese Unie. Het is trouwens opvallend hoe overdonderend afwezig Europa is in het boek. Naast twee algemenere hoofdstukken over het Vlaamse autonomiestreven is er een hoofdstukje voorzien voor Wallonië en eentje voor Brussel, maar voor Europa – laat staan voor de wereld – heeft men geen oog. Hoe kan men de toekomst van een lidstaat vandaag de dag nog opmaken zonder over de grenzen heen te kijken? Vanuit die enge visie maakt het boek ook niet expliciet welke positieve punten België wel nog zou kunnen claimen. Het postmoderne multiculturele verhaal gaat niet op; alsof een splitsing van België een einde zou stellen aan buitenlandse contacten. Alsof Erasmusuitwisselingen voor studenten plots een halt zou worden toegeroepen. Alsof het reizen en ontdekken van andere talen en culturen plots zou wegvallen als de grens tussen Wallonië en Vlaanderen een officiële grens wordt in plaats van de huidige officieuze. Integendeel, enige afstand kan soms tot verrassende nieuwe perspectieven leiden.

Wednesday, June 13, 2007

Rad van tong

Welaan dan, de verkiezingen liggen achter de rug; het werk kan beginnen. Tijd om ook de balans op te maken van de voorbije campagne. Paars is gekraakt, en vooral de socialisten hebben een flink pak voor hun broek gekregen. De spirituele club van Bert Anciaux is al helemaal van de kaart geveegd. Jochan zat zondagavond met de handen in het haar (nou ja, haar), Bruno Tobback vindt als door de bliksem getroffen dat de vorige regering er niks van gebakken heeft en Freya begint plots aan haar inhoudelijke kwaliteiten te twijfelen. Er zijn geen zekerheden meer.

U zal het met mij eens zijn, geen van deze mensen was het boegbeeld van de voorbije verkiezingen. En voor u in koor ferme Leterme naar voren schreeuwt – neen, ook hij zal niet in het collectieve geheugen van het jaar onzes heren 2007 gemerkt staan. Evenmin kunnen een deksele Dedecker of boskabouter Somers die eer opeisen.

Neen, geachte lezer, man van de verkiezingen 2007 is met grote voorsprong niemand minder dan Wouter van Bellingen. De zwarte Sint-Niklase schepen van trouwerijen mocht als aanstormend talent de arena van de politieke televisiedebatten betreden, maar struikelde daarbij over – jawel, zijn eigen tong. Met die lap vlees van Wouter is nogal wat aan de hand. Het beestje is vooreerst siamees uitgevallen, en die dubbele tong durft Wouter nogal eens parten spelen. Kon je de politicus in een VTM-debat met Marie-Rose Morel nog zien blinken van trots omwille van zijn fijnbesnaard redenaarstalent dat met een welgemikt ‘Mijn partij zegt zoveel’ elk argument genadeloos van tafel raffelde, dan was hij de volgende dag al in De Standaard het bête noire van Jochan, waar hij mocht uitleggen dat die verdraaide tong plotsklaps stokte en het nochtans niet onbelangrijke ‘waar ik ook achter sta’ nog weigerde uit te spuwen. Voor zo’n principieel stakende lap moet er bij de Post nog wel een vacant plaatsje zijn.

Edoch, om te bewijzen dat het hem menens was, beloofde Wouter in datzelfde kranteninterview zijn tong te laten opereren. Het plakje is namelijk bovendien ook nog eens te kort. Nu is mijn chirurgische kennis vrij beperkt en zou ik bijgod niet weten hoe zo’n tongverlenging precies tot stand komt, maar mijn logisch denkvermogen zegt mij dat wat er niet is elders gehaald moet worden (vraag maar aan onze begrotingsminister). Vermits ik ook meen te weten dat er al snel naar de bovenbil gekeken wordt om het verlies goed te maken, kijk ik nu al uit naar de Vlaamse verkiezingen van 2009 om tijdens debatten telkens een stuk been van tussen Wouters lippen te zien schieten.

Van Bellingen (de naam komt trouwens van bellenman – lepralijders die hun komst op straat verplicht met een bel dienden aan te kondigen, maar dit – uiteraard – volledig terzijde) was daarmee de vleesgeworden (klein uitgevallen, maar toch) verpersoonlijking van de postmoderne manier waarmee paars politiek heeft bedreven. Een tong die zich in duizend bochten wringt, soms gespleten en dan weer stug, met die uitzondering dat acht jaar paars, in tegenstelling tot Wouters tong, veel te lang wassss.

Monday, March 19, 2007

Tegen de lente

De weg van het gezond verstand

Wie het Lentemanifest vergelijkt met het antimanifest dat vorige maandag in De Standaard verscheen, kan – zelfs met de slechtste wil van de wereld – de logica van het eerstgenoemde niet langer loochenen. Beoogt dit manifest verdere stappen naar meer Vlaanderen en Wallonië, dan wil het tweede een terugkeer naar het oude België. Maar de breuklijn verraadt een zo mogelijk nog fundamentelere, maar misschien niet toevallig gelijklopende, tegenstelling: die tussen een pleidooi voor radicale democratie enerzijds en voor een afgevijlde democratie anderzijds.
De schrijvers van het antimanifest leggen een beangstigende vorm van ondemocratisch denken aan de dag om hun pleidooi voor meer België kracht bij te zetten. Het monster van dienst heet ‘federale controle’. Zij vrezen dat een verdere staatshervorming die meer fiscale autonomie geeft aan de deelstaten de transfers een stuk transparanter zal maken, en dus controleerbaarder. Op die manier zouden ze zowaar tot voorwerp van onderhandelingen kunnen worden. De auteurs houden er een ietwat vreemde definitie van solidariteit op na. Van Dale zegt over dat woord nochtans: ‘bewustzijn van samenhorigheid en bereidheid om de consequenties daarvan te dragen’. Zowel bewustzijn als bereidheid duiden op een vrije wil, die mijns inziens toch noodzakelijk is om het over echte solidariteit te hebben. In de visie van de auteurs van het antimanifest zijn wij allen ‘solidair’ met de fiscus, bijvoorbeeld. Zeg dus niet langer dat een simpele kruidenier wordt afgezet door de maffia, maar wel dat hij solidair is. Het argument dat er geen federale controle meer is bij fiscale autonomie moeten we lezen als: ‘er is geen ondemocratisch bestel meer dat aan solidariteit geen resultaatseisen stelt en een door God ingegeven dogma is’.
Om helemaal in een karikatuur te vervallen, worden die schimmige federale structuren dan ook nog eens voorgesteld als de enige democratische instanties. Want de agenda van de staatshervormers bestaat immers uit de versterking van de gemeenschappen, ‘zonder democratische controle van de staat’. Blijkbaar hebben de gemeenschappen geen democratische legitimiteit. Begrijpe wie kan.
Het hele betoog van deze postmodernisten die dwepen met een romantisch belgicistisch nationalisme is opgebouwd rond de al dan niet gewilde denkfout dat progressieve stappen in het hervormen van een staatsstructuur gelijkstaan aan het fnuiken van de solidariteit. Ik heb echter behalve het sloganeske discours van het Vlaams Belang nog nooit horen pleiten voor een drooglegging van Wallonië. Integendeel, pas bij een splitsing van de fiscaliteit kan er sprake zijn van een transparante, en dus echte, solidariteit, zoals Vlamingen ook, met Van Dale, bereid zijn om de consequenties van de uitbreiding van de EU te dragen.
Blijkbaar pleiten deze neo-belgen – onder wie af en toe zelfs een verwaaide Nederlander – voor een versterking en zelfs terugkeer van de schimmige Belgische achterpoortjes. Maar nog erger is dat zij nog steeds niet lijken te begrijpen waarom – zo vragen zij expliciet – de arbeidsmarkt en loononderhandelingen beter op regionaal niveau geregeld worden. Je hoeft geen economist te zijn om te beseffen dat de hoogte van productiviteit en lonen hand in hand gaan, en dat een Vlaamse arbeidsmarkt met een hoge ouderenwerkloosheid en een Waalse arbeidsmarkt met een torenhoge jongerenwerkloosheid verschillende remedies behoeven.
In plaats van vast te houden aan de postmoderne verheerlijking van een artificiële Belgische mogelijkheid, doen we er veel beter aan de rationaliteit en het gezond verstand te laten primeren. Dat het ‘nieuw meertalig denken’ waarvoor het antimanifest pleit enkel gerealiseerd kan worden binnen de grenzen van een unitair België, lijkt me in tijden van europeanisering en globalisering nu net getuigen van een enggeestig provincialisme.

Laurens De Vos

Tuesday, March 6, 2007

Een scheet in een fles?

Het onderstaande berichtje is een grappig intermezzo in het nieuws van de dag; het is dan ook uit de 'Beroemd en Bizar' rubriek van De Standaard geplukt. Met een grijns die een binnenpretje verraadt over dat etentje dat in net iets te veel olijfolie gedrenkt was identificeren we ons met de arme Hubert -Ubeir voor de vrienden - nog voor we er erg in hebben. Ubeir for president.
Maar achter dit fait diversje schuilt meer. In mijn vorige en - excusez-moi le mot - iets minder luchtige bijdrage over de relaties van Servië en Turkije met de internationale gemeenschap trok ik fel van leer tegen de censuur die Turkije nog steeds in een wurggreep houdt. Maar met het dictatorduo Kaczynski aan de macht zet Polen een flinke stap terug inzake de rechten van de mens. Polen, een land van de EU, remember? Quo vadis, Europa? Is het geen tijd Polen eens op zijn plichten te wijzen, eens voor goed en altijd duidelijk te maken dat het beledigen van staatshoofd of regime tot de democratische vrije meningsuiting behoort in het Europa van vandaag? Misschien kan Karel De Gucht onzen Ubeir wel politiek asiel verlenen in België - er zijn nog bouwwerven genoeg...

Politie op zoek naar schetenlater

De Poolse politie starte een nationale zoekactie voor een wel erg ongewone misdadiger. De gezochte man maakte zich schuldig aan een luide wind.De 45-jarige Hubert Hoffman pleegde de misdaad tijdens een routinecontrole in een treinstation in Warschau, nadat de controleurs hem hadden gevraagd wat hij vond van de president. De man deed zijn beklag over president Lech Kaczynski en diens tweelingbroer Jaroslaw. Volgens Hoffman was het land onder hun bewind geëvolueerd naar een dictatorschap, zoals Polen dit onder het communisme kende. Toen hem gevraagd werd om wat meer respect te tonen voor de leiders, liet hij prompt een harde scheet. Hij werd meteen in de boeien geslagen, voor ,,minachting van het staatshoofd''. Hoffman werd wel op borgtocht vrijgelaten, maar vertikte het om te verschijnen op zijn eigen rechtzaak. De rechter wilde niets weten van het verzoek van de verdediging om de zaak te seponeren. Integendeel, hij gaf de politie de opdracht om een grootscheepse zoekactie op het getouw te zetten. Zelfs Interpol werd op de hoogte gebracht.
ivb